HET BEPALEN VAN DE TOONSOORT


Bij het componeren van een muziekstuk wordt gebruik gemaakt van verschillende toonladders en hun bijbehorende akkoorden. Wanneer we in een muziekstuk bijvoorbeeld vaak de toonladder van G, of een deel daarvan tegenkomen, zal het muziekstuk ook vaak eindigen met een G of een G-akkoord. We kunnen dan zeggen dat de toonsoort van het muziekstuk G is.
Om vlot en goed de toonsoort van een muziekstuk te kunnen zien, kijken we altijd naar de slottoon van de melodie en zo mogelijk ook naar de grondtoon van het slotakkoord. Daarna bepalen we hoe de grote en kleine terts op die slotnoot of grondtoon heten. Door even een paar maten terug te lezen kunnen we snel zien of in het stukje een grote- of kleine terts voorkomt.


In voorbeeld 1 eindigt het stukje met een F. We kunnen nu zeggen dat het stukje in de toonsoort F staat. Wanneer we een paar maten terugkijken zien we telkens een A als terts; een grote terts dus. Het stukje staat dus in F-majeur, ofwel F grote terts of kortweg F-groot.


Het stukje in voorbeeld 2 eindigt met een G. De toonsoort is dus G. Wanneer we een paar maten terugkijken zien we telkens een B als terts; een grote terts dus. Het stukje staat dus in G-majeur, ofwel G grote terts of kortweg G-groot.


In voorbeeld 3 eindigt het stukje met een D. We kunnen nu zeggen dat het stukje in de toonsoort D staat. Wanneer we terugkijken zien we een F als terts; een kleine terts dus. Het stukje staat dus in D-mineur, ofwel D kleine terts of kortweg D-klein.
Wanneer je niet zeker weet of een terts groot of klein is, kijk dan naar de stamtonenrij. Hierin kun je gemakkelijk alle afstanden bekijken: grote terts = 2 hele tonen; kleine terts = hele + halve toon:

Voor het B-examen moet je de toonsoort van een stuk kunnen bepalen t/m 3 kruisen en mollen, voor C t/m 5 kruisen en mollen en voor D van alle toonsoorten.
Het is hierbij handig om ook de volgorde van de toonladders met hun voortekens te kennen. Je kunt ze met behulp van de kwintencirkel leren onthouden.