Maatsoorten A-niveau:   De Cijfers   Opmaat   Overzicht   Swing   Oefeningen in 4/4 maat   en in 3/4 maat           2/4   3/4   4/4   3/8   6/8   2/2   3/2  
Maatsoorten B-niveau:   Triolen   Syncopen   Regelmatig   Onregelmatig   Oefeningen in 4/4 maat   in 3/4   in 6/8           5/4   5/8   7/8   8/8   9/8   9/8   12/8

Maatsoorten A - Kies je onderwerp in het menu: Groen voor A-niveau en blauw voor B-niveau.

Aan het begin van een muziekstuk staat altijd aangegeven in welke maatsoort een het muziekstuk is geschreven. Deze aanduiding van een maatsoort lijkt wel wat op een breuk: één cijfer boven en één cijfer onder. Natuurlijk heeft het niets met een breuk te maken, maar de vergelijking is nog niet zo gek, want: het bovenste cijfer (de teller), laat ons zien hoeveel tellen er in iedere maat komen en het onderste cijfer (de noemer) geeft aan wat voor soort noot de belangrijkste is in die maat (de teleenheid).

Het bovenste cijfer kan zijn: 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 of 12. Het onderste cijfer heeft te maken met het soort noot, dat in die maat het belangrijkste is, dus dat kan alleen een 1, 2, 4, 8 of 16 zijn, of heel misschien 32, want meer soorten noten zijn er niet. Bij een driekwartsmaat bijvoorbeeld, zou je dus kunnen zeggen: drie kwartnoten in iedere maat, of noten met een vergelijkbare lengte natuurlijk!

In het overzicht zie je de verschillende maatsoorten die je voor het A-examen moet kennen, met daarbij nog wat extra uitleg. Soms begint een muziekstuk met een onvolledige maat. De laatste maat is dan ook onvolledig. De eerste en laatste maat vormen samen weer een volledige maat. Zo'n onvolledige begin-maat noemen we een opmaat.

Het ritme is bij het maken van muziek heel belangrijk en heeft extra aandacht nodig. Het is daarom goed om een aantal ritmische figuren zó te oefenen dat je ze eigenlijk uit je hoofd kent. Het is vooral belangrijk dat je ze herkent, wanneer je ze tegenkomt in een muziekstuk.

Een 4/4 maat wordt op 2 manieren aangeduidt: en een 2/2 ook: