De muziek voor de fagot wordt genoteerd in de F-sleutel en
      in het hoge register in de Tenor-sleutel.
De klank is gelijk aan de notatie.

De bouw is cilindrisch,
      met het mondstuk op een "roer".

Het instrument heeft een applicatuur met brillen en kleppen.

De aanblaaswijze is met een dubbel riet, zoals bij de hobo.



De fagot komt oorspronkelijk uit Italië en heette daar in de baroktijd dulzian.

Als afkortingen worden gebruikt: Fag. en Fg.